OLIEVERF
Olieverf heet olieverf omdat het bereid wordt uit
koudgeslagen lijnolie. Dat is olie van het zaad van vlas.
Het kan geen toeval zijn dat deze olie juist in Vlaanderen,
dat een belangrijke producent was van linnen, voor het eerst
in de 15e eeuw werd gebruikt voor het wrijven van pigmenten.
De verf die daardoor ontstond was bijzonder diep van kleur
en zeer duurzaam.
De Vlaamse meesters, zoals Jan van Eyck, Rogier van der
Weijden en Hugo van der Goes, gebruikten deze verfsoort voor
het eerst voor het maken van grote realistische
schilderingen op dikke eikenhouten panelen. De roem van deze
schilders zorgde ervoor dat olieverf snel over heel Europa
werd verspreid. Pas in de 16e eeuw begon men met deze verf
op doek te werken, voornamelijk om aan de stijgende vraag te
voldoen naar grote schilderijen die betrekkelijk snel
moesten worden geschilderd. Olieverf op doek zou de
standaard worden in de kunstgeschiedenis, en nog steeds is
het zo dat een olieverfschilderij op doek meer waard is dan
een even groot temperaschilderij.
Schilders werkten tot in de 19e eeuw met behulp van een
lagentechniek, waarbij dunne glaceerlaagjes over elkaar heen
werden geplaatst. Met het impressionisme verdween deze
methode, ook al omdat schilders vanaf dat moment gingen
werken met olieverf uit tubetjes. Tubenverf is veel dikker
dan de oude klassieke olieverf. Dat zien we bijvoorbeeld
duidelijk in het werk van Vincent van Gogh. Het opbouwen in
dunne laagjes zelfgewreven olieverf vanuit een gekleurde
ondergrond (imprimatura) is arbeidsintensief, maar levert
een zeer rijke en diepe ‘verfhuid’ op. |