LIJMVERF
Lijmverf wordt gemaakt uit dierlijke lijm. Deze is
meestal afkomstig uit de botten of de huiden van dieren.
Huidenlijm wordt gemaakt door huiden lang te laten koken. Er
komt dan een gelatine-achtige stof vrij, die door inkoken
tot korrels of plaatjes kan worden ingedikt. Gelatine zoals
wij die kennen is afkomstig uit de botten van dieren. Die
botten worden als sinds de prehistorie gekookt tot er een
taaie lijm overblijft. Als deze lijm afkoelt, gaat hij
geleren. Door blaadjes gelatine op te lossen in warm water,
worden ze vloeibaar. Er ontstaat dan een lijmoplossing. Deze
oplossing is geschikt om pigmenten mee te wrijven. De
verfsoort die dan ontstaat, is eenvoudig en mat van kleur.
Toch hebben beroemde schilders zoals Andrea Mantegna en
Dieric Bouts er veelvuldig gebruik van gemaakt. Meestal
gebruikten zij de lijmverf rechtstreeks op onbewerkt (maar
wel voorgelijmd) linnen voor het schilderen van zeer
ingetogen werk. Beroemd is de dode Christus in een extreem
verkort van Mantegna en de kruisaflegging van Bouts.
Onderwerpen die goed passen bij de matte enigszins grauwe
verf, en de warme kleur van het grijze linnen. De structuur
van het linnen wordt daarbij vaak gebruikt om
toonverschillen mee te kunnen maken.
In het Engels heet deze verfsoort distemper, in het Frans
détempre, wat beiden duidt op de verwantschap met tempera,
die echter niet zo groot is als gesuggereerd. Het is een
geheel eigen verfsoort met een zeer ingetogen en sereen
karakter.
|